Genesis 5:32-10:1New International Version

author
11 minutes, 57 seconds Read

32 Nadat Noach 500 jaar oud was,(A) werd hij de vader van Sem,(B) van Ham en van Jafeth.(C)

Wreedheid in de wereld

6 Toen de mensen in aantal begonnen toe te nemen op de aarde(D) en er dochters aan hen werden geboren,(2 zagen de zonen van God(E) dat de dochters(F) van de mensen mooi waren,(G) en zij trouwden(H) met wie zij maar wilden. 3 Toen zei de Heer: Mijn Geest(I) zal niet eeuwig met de mensen twisten,(J) want zij zijn sterfelijk;(K) hun dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.”

4 De Nephilim(L) waren op de aarde in die dagen en ook daarna, toen de zonen van God naar de dochters van de mensen(M) gingen en kinderen bij hen kregen. Zij waren de helden van weleer, mannen van aanzien.(N)

5 De Heer zag hoe groot de goddeloosheid van het mensengeslacht op aarde was geworden,(O) en dat elke neiging van de gedachten van het mensenhart steeds slechts kwaad was.(P) 6 De Heer betreurde(Q) dat hij mensen op aarde had gemaakt, en zijn hart was diep verontrust. 7 Daarom zeide de Heer: Ik zal van de aarde wegvagen(R) de menschen, die Ik geschapen heb, en met hen de dieren, de vogels en de schepselen, die zich op den aardbodem bewegen, want Ik betreur, dat Ik ze gemaakt heb.(S)” 8 Maar Noach(T) vond gunst in de oogen des Heeren.(U)

Noach en de zondvloed

9 Dit is het verslag(V) van Noach en zijn gezin.

Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk(W) onder de mensen van zijn tijd,(X) en hij wandelde getrouw met God.(Y) 10 Noach had drie zonen: Sem,(Z) Ham en Jafeth.(AA)

11 De aarde nu was verdorven(AB) in Gods ogen en was vol geweld.(AC) 12 God zag hoe verdorven(AD) de aarde was geworden, want alle mensen op aarde hadden hun wegen verdorven.(AE) 13 Daarom zei God tegen Noach:(Ik ga een einde maken aan alle mensen, want de aarde is door hun toedoen vervuld van geweld. Ik zal hen en de aarde zeker vernietigen(AF).(AG) 14 Maak daarom een ark van cipressenhout;(AH) maak er kamers in en bestrijk hem van binnen en van buiten met pek(AI). 15 Zo moet je hem bouwen: De ark moet driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog zijn. 16 Maak er een dak voor, laat onder het dak een opening van een el hoog rondom. Doe een deur in de zijkant van de ark en maak een beneden-, een midden- en een bovendek. 17 Ik ga vloedwateren(AJ) op de aarde brengen om al het leven onder de hemel te vernietigen, elk schepsel dat de adem van het leven in zich heeft. Alles op aarde zal vergaan.(AK) 18 Maar ik zal mijn verbond met u oprichten,(AL) en u zult de ark(AM) binnengaan – u en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u. 19 Van alle levende schepselen moet u er twee in de ark brengen, man en vrouw, om ze bij u in leven te houden.(AN) 20 Van elke vogelsoort, van elk dier en van elk schepsel(AP) dat zich op de grond beweegt, zullen er twee(AO) bij u komen om in leven te worden gehouden.(AQ) 21 Je moet elk soort voedsel nemen dat te eten is en het bewaren als voedsel voor jou en voor hen.”

22 Noach deed alles zoals God hem bevolen had.(AR)

7 De Heer zei toen tegen Noach: “Ga in de ark, jij en je hele familie,(AS) want Ik heb je in dit geslacht rechtvaardig(AT) bevonden. 2 Neem van elk soort rein(AU) dier zeven paar mee, een mannetje en zijn maat, en van elk soort onrein dier één paar, een mannetje en zijn maat, 3 en ook zeven paar van elk soort vogel, mannetje en vrouwtje, om hun verschillende soorten in leven te houden(AV) over de hele aarde. 4 Zeven dagen na nu zal Ik regen(AW) op de aarde(AX) zenden, veertig dagen(AY) en veertig nachten(AZ) en Ik zal elk levend wezen dat Ik gemaakt heb van de aardbodem wegvagen(BA)”

5 En Noach deed alles wat de Heer hem gebood.(BB)

6 Noach was zeshonderd jaar oud(BC) toen de vloedwateren op de aarde kwamen. 7 En Noach en zijn zonen en zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen gingen in de ark(BD) om aan het water van de vloed te ontkomen. 8 Paar reine en onreine(BE) dieren, van vogels en van alle schepselen die zich langs de grond bewegen, 9 mannetjes en vrouwtjes, kwamen bij Noach en gingen de ark binnen, zoals God Noach geboden had.(BF) 10 En na de zeven dagen(BG) kwamen de vloedwateren op de aarde.

11 In het zeshonderdste levensjaar van Noach,(BH) op de zeventiende dag van de tweede maand(BI)-op die dag barstten alle bronnen van de grote diepte(BJ) uit, en de sluizen van de hemelen(BK) werden geopend. 12 En veertig dagen en veertig nachten viel er regen op de aarde.(BL)

13 Op diezelfde dag gingen Noach en zijn zonen,(BM) Sem, Ham en Jafeth, samen met zijn vrouw en de vrouwen van zijn drie zonen, de ark in.(BN) 14 Zij hadden bij zich alle wilde dieren naar hun soort, al het vee naar hun soort, alle schepselen die zich over de grond bewegen naar hun soort en alle vogels naar hun soort,(BO) alles met vleugels. 15 Van alle schepselen die de adem des levens in zich hebben, kwamen er paren bij Noach en gingen de ark binnen.(BP) 16 De dieren die naar binnen gingen, waren mannetjes en vrouwtjes van alle levende wezens, zoals God Noach geboden had.(BQ) Toen sloot de Heer hem in.

17 Veertig dagen lang(BR) bleef de vloed op de aarde komen, en naarmate het water toenam, trokken ze de ark hoog boven de aarde uit. 18 De wateren rezen en vermeerderden zich zeer op de aarde, en de ark dreef op de oppervlakte van het water. 19 Zij rezen zeer over de aarde, en al het hooggebergte onder de ganse hemel werd bedekt.(BS) 20 De wateren rezen en bedekten de bergen tot een diepte van meer dan vijftien ellen. (BT) 21 Elk levend wezen dat zich op het land bewoog, kwam om – vogels, vee, wilde dieren, alle schepselen die over de aarde zwermen, en de hele mensheid.(BU) 22 Alles op het droge dat de levensadem(BV) in zijn neusgaten had, stierf. 23 Al wat op de aarde leefde, werd weggevaagd; mensen en dieren en de schepselen die zich over de aarde bewegen en de vogels werden van de aarde weggevaagd.(BW) Alleen Noach bleef over, en degenen die met hem in de ark waren.(BX)

24 Honderdvijftig dagen lang overstroomde het water de aarde.(BY)

8 Maar God herinnerde(BZ) zich Noach en al het wild en het vee dat bij hem in de ark was, en hij zond een wind over de aarde(CA) en het water trok zich terug. 2 De bronnen der diepte en de sluizen des hemels(CB) waren nu gesloten, en de regen(CC) was opgehouden van den hemel te vallen. 3 Het water trok zich gestadig van de aarde terug. Aan het einde van de honderdvijftig dagen(CD) was het water gezakt, 4 en op de zeventiende dag van de zevende maand(CE) kwam de ark te rusten op de bergen(CF) van Ararat.(CG) 5 De wateren bleven zich terugtrekken tot de tiende maand, en op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar.

6 Na veertig dagen(CH) opende Noach een raam dat hij in de ark had gemaakt(7) en zond een raaf uit,(CI) en deze bleef heen en weer vliegen totdat het water van de aarde was opgedroogd.(CJ) 8 Toen zond hij een duif uit(CK) om te zien of het water van de oppervlakte van de grond was teruggetrokken. 9 Maar de duif kon nergens neerstrijken, omdat er water was over de gehele oppervlakte der aarde; daarom keerde zij naar Noach in de ark terug. Hij strekte zijn hand uit en nam de duif en bracht haar terug bij zich in de ark. 10 Hij wachtte nog zeven dagen en zond de duif weer uit de ark. 11 Toen de duif ’s avonds bij hem terugkwam, zat er in haar snavel een pas geplukt olijfblad! Toen wist Noach dat het water zich van de aarde had teruggetrokken.(CL) 12 Hij wachtte nog zeven dagen en zond de duif opnieuw uit, maar ditmaal keerde zij niet naar hem terug.

13 Op de eerste dag van de eerste maand van Noachs zeshonderdste en eerste jaar,(CM) was het water van de aarde opgedroogd. Toen verwijderde Noach de bedekking van de ark en zag dat de oppervlakte van de grond droog was. 14 Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand(CN) was de aarde helemaal droog.

15 Toen zei God tegen Noach:(16) “Kom uit de ark, jij en je vrouw en je zonen en hun vrouwen.(CO) 17 Breng alle levende wezens die bij je zijn – de vogels, de dieren en al het gedierte dat zich over de grond beweegt – naar buiten, zodat ze zich kunnen vermenigvuldigen op de aarde en vruchtbaar kunnen zijn en in aantal toenemen op de aarde.”(CP)

18 Noach kwam dus naar buiten, samen met zijn zonen en zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.(CQ) 19 Alle dieren en alle schepselen die zich over de grond bewegen en alle vogels – alles wat zich op het land beweegt – kwamen uit de ark, de ene soort na de andere.

20 Toen bouwde Noach een altaar voor de Heer(CR) en, enkele van alle reine dieren en reine(CS) vogels nemend, offerde hij er brandoffers(CT) op. 21 De Heer rook het aangename aroma(CU) en zei in zijn hart: “Nooit meer zal ik de grond vervloeken(CV) vanwege de mensen, hoewel elke neiging van het menselijk hart van kindsbeen af slecht is.(CW) En nooit meer zal ik alle levende wezens vernietigen(CX),(CY) zoals ik heb gedaan.

22 “Zolang de aarde bestaat,(CZ)
zaadtijd en oogst,(CZ)
kou en hitte,(CZ)
zomer en winter,(DA)
dag en nacht
zullen nooit ophouden.”(DB)

God’s verbond met Noach

9 Toen zegende God Noach en zijn zonen en zei tegen hen: “Wees vruchtbaar en neem toe in aantal en vul de aarde.(DC) 2 De vrees en de schrik voor u zullen vallen over al het gedierte der aarde, en over alle vogels in de lucht, over elk schepsel dat zich op de grond beweegt, en over alle vissen in de zee; zij zijn in uw handen gegeven.(DD) 3 Alles wat leeft en zich beweegt, zal voor u tot voedsel zijn.(DE) Zoals Ik u de groene planten heb gegeven, zo geef Ik u nu alles.(DF)

4 “Maar jullie mogen geen vlees eten waar het levenssap nog in zit.(DG) 5 En voor jullie levenssap zal ik zeker rekenschap vragen.(DH) Ik zal van elk dier rekenschap vragen.(En ook van ieder mens zal ik verantwoording eisen voor het leven van een ander mens.(DJ)

6 “Wie mensenbloed vergiet,
door mensen zal zijn bloed vergoten worden;(DK)
want naar het beeld van God(DL)
heeft God de mensheid gemaakt.

7 Wat u betreft, weest vruchtbaar en neemt toe in aantal; vermenigvuldigt u op de aarde en neemt toe op haar”(DM)

8 Toen zeide God tot Noach en zijn zonen met hem: 9 “Ik richt nu mijn verbond op met u(DN) en met uw nakomelingen na u(DN) 10 en met alle levende schepselen die bij u waren – de vogels, het vee en al het wild gedierte, allen die met u uit de ark kwamen – alle levende schepselen op aarde. 11 Ik sluit mijn verbond(DO) met u:(DP) Nooit meer zal al het leven worden vernietigd door het water van een vloed; nooit meer zal er een vloed zijn die de aarde vernietigt.(DQ)”

12 En God zeide: Dit is het teken van het verbond(DR) dat Ik sluit tussen Mij en u en alle levende schepselen met u, een verbond voor alle komende geslachten:(DS) 13 Ik heb mijn regenboog(DT) in de wolken gezet, en hij zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. 14 Telkens wanneer ik wolken over de aarde breng en de regenboog(DU) in de wolken verschijnt, 15 zal ik mijn verbond(DV) gedenken tussen mij en jou en alle levende wezens van alle soorten. Nooit meer zullen de wateren tot een vloed worden om alle leven te vernietigen.(DW) 16 Telkens wanneer de regenboog(DX) in de wolken verschijnt, zal ik hem zien en aan het eeuwigdurende verbond(DY) tussen God en alle levende schepselen van elke soort op de aarde denken.”

17 God zei dus tegen Noach: “Dit is het teken van het verbond(DZ) dat ik tussen mij en alle leven op de aarde heb opgericht.”

De zonen van Noach

18 De zonen van Noach die uit de ark kwamen, waren Sem, Ham en Jafeth.(EA) (Ham was de vader van Kanaän.)(EB) 19 Dit waren de drie zonen van Noach,(EC) en uit hen kwamen de volken voort die over de hele aarde verspreid waren.(ED)

20 Noach, een man van de grond, ging over tot het planten van een wijngaard. 21 Toen hij wat van de wijn daarvan dronk,(EE) werd hij dronken en lag onbedekt in zijn tent. 22 Ham, de vader van Kanaän, zag zijn vader naakt(EF) en vertelde het zijn twee broers buiten. 23 Maar Sem en Jafeth namen een kleed en legden dat over hun schouders; toen liepen zij achterwaarts naar binnen en bedekten het naakte lichaam van hun vader. Hun gezichten wendden zij de andere kant op, opdat zij hun vader niet naakt zouden zien.

24 Toen Noach ontwaakte uit zijn wijn en ontdekte wat zijn jongste zoon hem had aangedaan, 25 zei hij,

“Vervloekt(EG) zij Kanaän!(EH)
De laagste der slaven
zal hij zijn broeders zijn.(EI)”

26 Ook zei hij,

“Lof zij de Heer, de God van Sem!(EJ)
Mag Kanaän de slaaf(EK) van Sem zijn.
27Moge God het gebied van Jafeth uitbreiden;(EL)
moge Jafeth in de tenten van Sem wonen,(EM)
en moge Kanaän de slaaf van Jafeth zijn.”

28Na de zondvloed leefde Noach 350 jaar. 29 Noach leefde in totaal 950 jaar, en toen stierf hij.(EN)

De tafel der volkeren

10 Dit is het verslag(EO) van Sem, Ham en Jafeth,(EP) de zonen van Noach,(EQ) die zelf zonen kregen na de zondvloed.

Similar Posts

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.